Parkeer- en Mobiliteitsbeleid Binckhorst en Voorburg-West
In dit artikel:
L. Knuttel reageert scherp op het parkeer- en mobiliteitsbeleid rond de Binckhorst en Voorburg-West en richt zijn kritiek vooral op wethouder Jeffrey Keus. Keus presenteert het pakket maatregelen — waaronder de Vlietlijn, een bovengrondse tramverbinding — als noodzakelijke oplossing omdat verkeersstudies knelpunten voorspellen bij verdere ontwikkeling van de Binckhorst. Knuttel betwist die eenzijdige lezing van de onderzoeksresultaten.
De onafhankelijk adviseur Commissie MER concludeert volgens Knuttel dat de Vlietlijn slechts een beperkte modal shift zal realiseren: relatief weinig bewoners in Voorburg-West zullen hun auto laten staan om met de tram naar Den Haag te reizen. Bovendien vereisen aanleg en doortrekking van de tram naar Rijswijk ingrijpende aanvullende maatregelen, zoals het afsluiten van de Geestbrug voor autoverkeer. Die ingrepen verschuiven de verkeersdruk in plaats van die op te lossen: knelpunten ontstaan aan de randen van het plangebied — bij de A12-oprit, Parkweg, Laan van NOI en de Haagweg in Rijswijk. Deze zogeheten 'waterbedeffecten' staan expliciet in de rapporten en leidden ertoe dat het college inmiddels drie bijkomende onderzoeken is gestart; een oplossing ontbreekt nog. De gemeenteraad van Leidschendam‑Voorburg besloot daarom eind januari voorlopig geen knoop door te hakken over sluiting van de Geestbrug en de geplande eindhalte op het Stationsplein.
Knuttel bespreekt ook de koppeling tussen parkeerbeleid en de Vlietlijn. Hoewel het college formeel zegt het parkeerbeleid los te koppelen van het tramdossier, toont de praktijk volgens hem het tegenovergestelde: het verruimen van de blauwe zone in Voorburg‑West (7 dagen per week, 08:00–00:00) is een erkenning van sterke druk vanuit de Binckhorst. Dat veel ingediende zienswijzen ongewijzigd en onbeantwoord zijn gebleven, sterkt het wantrouwen.
Ten slotte voert Knuttel aan dat de veronderstelling dat lage parkeernormen automatisch tot minder autobezit leiden een gevaarlijke illusie is. Erfgoedwijken laten zien dat parkeerbehoefte zich verplaatst naar openbare ruimte als capaciteit ontbreekt; bij nieuwbouw is die verschuiving nu een bewuste beleidskeuze die bestaande bewoners in omliggende wijken de lasten kan opleveren. De wethouder zou te veel op gedragsverandering gokken terwijl bewoners de directe consequenties ondervinden.
Knuttel sluit met kritische vragen aan het college: hoe rijmt het gebrek aan zorgen over parkeeroverlast met rapportages die juist nieuwe knelpunten aantonen, en waarom kiest het bestuur bij afstemming zo nadrukkelijk voor overleg met buurgemeente Den Haag in plaats van prioriteit te geven aan inwoners van Leidschendam‑Voorburg?